2-Het begin II

Mijn begin? Daar moest ik dus naartoe. Van waar komt die gedrevenheid om te gaan schrijven over een waanzinnig project van twee mannen die ik van haar noch pluim ken. Waarom kan de link naar mijn grootvader de vonk zijn die mij hier aan het schrijven zet.
Opdat een vonk een ontploffing tot gevolg zou hebben – en laat ons voor het gemak dit schrijven dan als die ontploffing zien – ik schrijf ook eerder impulsief dan planmatig – is er een brandstof nodig, een ontplofbaar mengsel eigenlijk. Het mengsel is voor mij mijn eigentijdse omgeving. Een omgeving waar ik me daarenboven aan erger.
Ontploffen zou een te krachtig begrip zijn voor het weergeven van mijn ergernis. Het is eerder een frustratie, een teleurstelling soms. Maar goed, ik erger me aan het verdwijnen van het menselijke in onze samenleving. In het bijzonder in de werkomgeving, want dat is het terrein waar ik veel van mijn aandacht naartoe laat gaan. Hoewel we een behoorlijk sociaal kader hebben weten te maken om mensen te beschermen tegen vele vormen van machtsmisbruik, zijn we er niet echt in geslaagd om een menselijke werkomgeving op te bouwen. De trend, anno 2010, is nog steeds dat mensen werktuigen zijn die in bedrijven en organisaties een taak moeten uitvoeren, liefst zonder morren en zonder uitval. We hebben dan wel dubbel betaald vakantiegeld gekregen, respect is daar, gemiddeld gesproken, niet echt bij. Er zijn uitzonderingen, absoluut. Ik ontmoette recent een aantal bedrijfsleiders die het zeker goed met “hun” mensen voor hebben, maar deze kleine groep buiten beschouwing gelaten, is een echt fundamenteel respect voor de werknemer doorgaans zoek. Deze observatie maakt me ongelukkig. Een project zoals dat van Piet en Staf Wittevrongel zien opduiken, is dan bijna letterlijk een verademing. Een gek plan, dat iedereen die ermee in aanraking komt, gek maakt. Maar dan in de goeie zin van het woord. Een ondernemer die grote hijswerktuigen verhuurt, houdt van Brel, hoort over het project, en belt de Wittevrongels op. Hij zal hun schip transporteren. Een rederij ziet 20 ton verroest en verwrongen staal op de kade in Singapore staan en besluit dat staal gratis over de aardbol te transporteren. Besmet door de gekte van de Wittevrongels. Dat is een verademing. Het was ook bijzonder om vast te stellen dat het Piet Wittevrongel was, de jongste van de twee broers, die eigenlijk het idee lanceerde. Ook uit ongenoegen. Al heel zijn leven vecht Piet tegen de onrechtvaardige passages van onze geschiedenis. Toen hij enkele jaren geleden de overzichtstentoonstelling over Brel bezocht in Brussel, was hij verontwaardigd over de geschiedvervalsing die daar gepleegd werd. De verslaggeving van de zeiltocht met de Askoy, Brel’s wereldreis op het einde zijn leven, werd slechts beperkt belicht. Brel maakte het grootste deel van deze reis samen met Maddly Bamy, zijn (zeil)partner waarbij hij in die periode vertoefde. De erven van Brel houden niet van deze passage uit de geschiedenis en doen er dan ook alles aan om deze uit de analen te schrappen. Wie schrijft over Maddly Bamy en Brel, krijgt het doorgaans met hen aan de stok zo hoor ik en lees ik in enkele artikels. Het bewust niet vermelden van dit verhaal op Brel’s tentoonstelling was voor Piet Wittevrongel de vonk die hem deed ontvlammen. Aan de basis van het hele Askoy-project ligt deze frustratie. Ook hier is dus sprake van een mengsel dat de energie die in de broers Wittevrongel zat vangt en omzet in een heuse dynamiek.
Het lijkt wel wat ontgoochelend dat dromen misschien wel kiemen in één of andere frustratie of ongenoegen. Je zou hopen dat een droom begint bij een utopische gedachte, doorgaans iets naïef in de trend van “de wereld verbeteren”. Maar vaak, en dat is het geval voor wereldverbeterende dromen ook, begint het bij een ongenoegen.
En toch…is deze vaststelling wel juist? Als ik opnieuw mijn eigen gedrevenheid onder de loep neem om dit project, het schrijven van een boek gebaseerd op het project “Save Askoy II”, uit te voeren, dan zie ik daarin ook wel enkele andere ingrediënten die mij doen schrijven. Laat ik maar beginnen met ijdelheid. Ik schrijf als gevolg van het feit dat ik ooit mocht ervaren dat mijn schrijfsels gelezen werden. In de begindagen van het internet – en dan bedoel ik vooral de periode waarin het internet een breed toegankelijk medium begon te zijn – schreef ik, quasi als bij toeval, enkele artikels voor de eerste online krant in België, de Financieel Economische Tijd (FET). De FET was de eerste met een soort online afgeleide website met krantenartikels en op die plek was de toegangsdrempel redelijk laag om daar te mogen voor schrijven. Het is veel moeilijker om je lezersbrief gepubliceerd te krijgen in een papieren krant, dan eentje te zien verschijnen op een internetkrant. Ik schreef dus artikels en als bij wonder ontving ik hierop reacties. Doorgaans een twintigtal lezerreacties per tekst. Nu is dat zo niet meer. Er is dan ook veel meer te vinden op het internet om te lezen en om op te reageren dan toen. Het waren vooral die twintig lezers van toen, die mij een goed gevoel gaven, ook al zat er altijd eentje bij die je ongenuanceerd de grond in boorde. Dat is ijdelheid. Het fijn vinden, of juister, er belang aan hechten wat anderen van je vinden. Het is een zwakte waar ik niet blij om ben. Ik weet niet of je kan proberen dat belang te laten afnemen. Mij lukt het in elk geval niet echt. Ook al doe ik soms wel eens alsof. Ik vraag me dan af of Brel bijvoorbeeld zong en speelde omdat hij er zo bezield door was, of dat hij toch aarzelde en angstvallig toekeek in hoeverre hij geapprecieerd werd. Artiesten zijn kwetsbaar zegt men vaak. Maar wat wil dit dan zeggen? Dat ze gevoelig zijn voor de mening van het publiek? Ben je kwetsbaar om wat je toont? Je ziel? Of ben je kwetsbaar omdat je belangrijk vindt wat men er van denkt?
Mijn gedrevenheid is dus niet louter frustratie, maar ook erkend willen worden. Daar ligt mijn begin. Toen ik Piet en Staf voor het eerst interviewde, vroeg ik hen naar hun drijfveren. Tot mijn verrassing verwezen ze, en Piet in het bijzonder, naar de strenge vaderfiguur die hun jeugd had gedomineerd. Deze dominantie was enerzijds een frustratie geweest, maar lag hier ook de basis van een zoektocht naar erkenning? Het is niet eenvoudig om je vader op te volgen. Zeker niet als het een uitgesproken figuur was die een respectabel palmares had weten te realiseren. Staf moest zijn vader opvolgen. En hoewel hij vandaag ook kan terugblikken op een meer dan behoorlijke carrière als ondernemer in de zeilmakerij, hoe lang heeft hij zich afgevraagd wat zijn vader allemaal vond van zijn beslissingen? Ligt daar het begin van ons aller gedrevenheid? Erkenning krijgen van onze ouders?
Enkele jaren geleden schreef ik een toneelstuk over een man die tegen zijn zin in de voetstappen van de vader was getreden. Nu is tegen zijn zin misschien sterk uitgedrukt. Als je, zoals mijn hoofdpersonage, opgroeit in een zeer specifiek milieu van kermisuitbaters, dan is de kans uiteraard groot dat je een belangstelling ontwikkelt voor die besloten wereld waar je in zit. Mijn personage was uitbater van een viskraam op de foor. Het is niet meteen een ambitie die de meesten onder ons koesteren. Mijn personage wou ook geen viskraam uitbaten en gedurende het hele stuk beleeft het publiek de strijd van Raf, zo heette hij, met zijn verleden en met zijn toekomst. Op de tocht die ik tot heden heb afgelegd langs mensen die het Askoy-project hebben geholpen, of nu nog helpen, kwam ik bij bedrijfsleiders die hun vader hebben opgevolgd. Ik vraag hen dan altijd naar hun drijfveren voor de Askoy en bij uitbreiding hun drijfveren, tout court, bijvoorbeeld om hun bedrijf uit te baten. Het is uiteraard geen wetmatigheid, maar van alle ontmoetingen die ik had, was er eigenlijk geen enkele bij waarbij de betrokkene met hart en ziel over zijn bedrijf sprak. Dat ze hun vader zouden opvolgen was voor velen een evidentie, soms wat overschaduwd door een vorm van plichtsbesef. Als er passie naar boven kwam in het gesprek, en dat was in elk van de situaties zeker het geval, dan ging het steeds om iets anders dan het werk dat ze deden.