4-Askoy III
De modelmaker. VOF De Modelmaker dan nog. VOF, vennootschap onder firma. Een onderneming. Ik dacht dat ik te maken zou krijgen met iemand die modeltreintjes laat rondrijden. Maar blijkt dat achter De Modelmaker een man schuilgaat die professioneel modellen maakt. Hoewel schuil gaat niet geheel de juiste klemtoon legt. Gerald Muylle verschuilt zich niet. Gerald Muylle is een man die professioneel modellen maakt. Denk aan de gekende maquettes die je wel eens bij een architect ziet, vaak van die witte structuren die een driedimensionale voorstelling moeten zijn van een gebouw in wording. Bij Gerald zijn dat kleurrijke, bijna levensechte bouwwerken. Als je een camera op poppetjeshoogte tussen zijn maquette zou ophangen dan bestaat de kans dat je denkt dat je naar een echt huis staat te kijken. Zo realistisch en zo perfect zijn de bouwwerken. Hij maakt ze onder andere voor architecten, maar ook voor immobiliënkantoren die hun klanten willen laten aanvoelen hoe hun droomhuis er zal uit zien. Menig uitstalraam van dergelijk kantoor heeft een model van De Modelmaker. Niet alleen gebouwen, maar ook boten behoren tot Geralds miniatuurpatrimonium. Hieronder ook een model van de Askoy. Een test-model momenteel, een eerste stap in de zoektocht naar een goed model om te kunnen reproduceren als souvenir voor toekomstige Askoy-bezoekers.
Gerald is de penningmeester van de VZW Save Askoy II en zorgt naast de centen ook voor het merendeel van de administratie van de organisatie. Opnieuw verwondert deze Askoy-ontmoeting, nu met Gerald. Niet alleen leer ik de wondere wereld van de maquettes kennen – op zich al en bijzondere gebeurtenis, ook word ik opnieuw geconfronteerd met de vreemde eend in de maatschappelijke bijt. Gerald maakt naast zijn modellen ook kunst. Modellen die ontsnappen aan het realisme en via een eigen poëtische beeldtaal een verhaal vertellen en de toeschouwer beroeren. Hoe komt het toch, vraag ik me na het gesprek af, dat aan elke persoon die ik in het kader van de Askoy ontmoet, iets kunstzinnigs vast hangt? Alle gesprekspartners hebben iets met kunst. Vaak met muziek – nogal wiedes aangezien dit project over Jacques Brel gaat – maar ook met andere kunstvormen. Laat me misschien de vraag omkeren. Hoe komt het dat veel mensen die ik in andere omstandigheden ontmoet veel minder kunstbindingen lijken te hebben? De bediende in het kantoor, de manager of directeur van het bedrijf, ze hebben niet allemaal een artistieke interesse. Af en toe zit er eentje tussen die kunst verzamelt en heel af en toe, eentje die zelf schildert, beeldhouwt, musiceert, maar zeker niet allemaal.
Ik verwijs naar het schema dat ik beschrijf in de Kikker en de oceaan (zie onder). Dit schema gebruik ik om een discussie te voeren over de evolutie van een mens in zijn leven. We beginnen onderaan, waar het bolletje staat. Onze geboorte. We ontwikkelen onszelf langs de verticale as, naar boven. Dit noem ik soms een maturiteitsas. Ik vertaal hierbij maturiteit naar vrijheid. Naarmate we ouder worden, ontwikkelen we meer vrijheid. We zijn, naarmate we evolueren, in staat om beslissingen te nemen, te leren en kunnen zo een stuk van ons leven onder controle brengen. Een baby kan enkel beslissen om te huilen als hij honger heeft. Een volwassen persoon kan een restaurant en een schotel uitkiezen. Dat is vrijheid. In mijn model geef ik aan dat we echter niet zo maar evolueren naar een hogere graad van vrijheid. Tegelijkertijd met ons maturiteitsproces ontstaat er een verschuiving, zie hiervoor de twee diagonale pijlen. Matuur worden wordt doorgaans geassocieerd met verstandiger worden. Ik leer waardoor ik nieuwe dingen kan doen, waardoor ik kan handelen. Hoe meer ik weet, hoe meer ik kan keuzes maken en dus hoe vrijer ik ben – ik onthoud mij hier van de beperkingen die een samenleving oproept in die vrijheid. De één zijn vrijheid is immers de ander zijn beperking. We worden, hier in het Westen althans, meer matuur door verstandiger te worden, door onze ratio goed te ontwikkelen. Ik beweer dat we veel minder snel, en minder goed evolueren langs de emotionele kant. Emoties worden in onze samenleving niet echt als een kenmerk van maturiteit gezien, integendeel. Wie vaak huilt, wie snel geëmotioneerd wordt, is een watje. Wees volwassen, zeggen we tegen kinderen die boos zijn. Denk goed na, geven we als advies tegen iemand die impulsief wil reageren. Alsof je met nadenken je emoties leert gebruiken. Je gaat er alleen mee onderdrukken. Tot je er buikpijn van krijgt. Emoties krijgen een ondergeschikte plaats in onze maatschappelijke waardering. We vinden het bijzonder als iemand meerdere diploma’s haalt of op latere leeftijd opnieuw op de schoolbanken gaat zitten. We vinden het maar zwakjes als iemand naar een therapeut stapt om beter met zijn emoties om te gaan. En een therapie volgen is helemaal iets anders dan een opleiding psychologie volgen, waar je kennis over emoties verwerft. Dat is iets anders dan leren omgaan met je emoties.
Wie kunst maakt, wie aandacht geeft aan kunst, wie poëzie of een roman leest, wie zich laat beroeren door muziek doet iets langs die emotionele kant van mijn model. Wie alleen maar naar cijfers kijkt, naar documentaires kijkt, essays leest, ontwikkelt zich vooral langs de rationele kant. De Askoy-betrokkenen hebben blijkbaar allemaal iets emotioneels. Als ik, wellicht statistisch zeer onnauwkeurig, de “normale” mensen plaats op mijn schema op vlak van rationele of emotionele ontwikkeling, dan zou ik durven denken dat de deelverzameling “Askoy-mensen” iets meer op de emotionele as zitten.
Het is een andere manier om te zeggen wat ik eerder zei: “geen enkel weldenkend mens zou het in zijn hoofd halen, om 23 ton verroest ijzer uit het zand te gaan graven in Nieuw-Zeeland om het naar België te brengen om er terug een boot van te maken.” Wat ik eigenlijk zeg is dat mensen, die eerder rationeel nadenken om te handelen, rationeel zouden uitmaken dat dergelijke operatie rationeel zinloos is. Koop dan liever nieuw staal hier in België, ga de plannen halen uit het archief, en maak een nieuwe Askoy, de Askoy III. Deze discussie is trouwens ook aan bod gekomen op de bestuursvergaderingen van de vzw Save Askoy II. Piet Wittevrongel vertelde me dat het als een ernstig alternatief werd overwogen om met de vzw geen berging uit te voeren van het originele wrak, maar om gewoon een replica te maken. Gewoon is hier trouwens een understatement. Het maken van een schip zoals de Askoy is sowieso een bijzonder huzarenstuk, zeker als het gebeurt door een vzw die op vrijwilligers steunt. Maar zoals Piet ook zo precies formuleerde, met een replica heb je de ziel van de Askoy niet vast en al helemaal niet van Brel. “Al kunnen we maar de kiel recupereren, dan zullen we voelen wat de Askoy symboliseert”, dixit Piet. Een replica is een kopie. Je kan een kopie van de Mona Lisa in je salon hangen, gedrukt op doek als je dat wilt, maar dan nog vang je er de kracht niet mee die uitgaat van het originele werk.
Je kan dat niet uitleggen. Je kan dat zelfs niet aantonen. Een goede kopie kan tot op de kleinst zichtbare pixel Da Vinci’s penseeltrekken overbrengen op een nieuw doek dat evenzeer echt is, toch zal het gevoel anders zijn. “Ja maar, dat is omdat je weet dat het niet origineel is”, wordt dan vaak gezegd. Dat kan best en dat is ook de essentie. Als je denkt dat het een origineel werk is, kan je gerust even geëmotioneerd geraken als bij het origineel, zeker als het verschil met onze menselijke zintuigen niet te onderscheiden is. Maar het gaat hem niet enkel om wat die zintuigen kunnen waarnemen. Het gaat hem om de hele geschiedenis die samenhangt met het schilderij, of met het zeiljacht. Kijk naar een potscherf in een museum van een Romeinse vaas. Daar is in vele gevallen niets esthetisch of kunstzinnig aan, maar als je dan beseft dat die scherf honderd jaar voor Christus door iemand gebruikt werd om water uit een beek te scheppen, dan gaat er plots een wereld open. Je voelt een verbondenheid die je niet met kennis kan beschrijven. Je kan ook niet zeggen dat een gelijkaardige scherf uit de Middelleeuwen die vijfhonderd jaar jonger is, je minder zal beroeren. Cijfers kunnen niet vertalen wat dergelijk artefact bij je teweeg brengt. Laat staan dat ze zouden kunnen beschrijven hoe hard u of ik door diezelfde scherf, datzelfde schilderij, diezelfde boot, bewogen worden.
Elke persoon die met het Askoy-project verbonden is, is niet alleen met “kennis van zaken” verbonden, maar ook verbonden met zijn gevoel. En dat is voor elke persoon verschillend. Het is subjectief. Kennis is objectief of probeert objectief te zijn. Emoties zijn subjectief. Subjectieve meningen krijgen in het dagelijks leven een ondergeschikte plaats, zelf een pejoratieve bijklank. Objectiviteit wordt doorgaans gezien als de ideale maatstaf voor een goed werkende organisatie. Ga eens naar een gemiddeld familiefeest, waarbij alle kinderen en kleinkinderen ten tijde van de kerstdagen een objectief afgemeten geschenk krijgen van de ouders, respectievelijk grootouders. Alle kinderen 20 euro, alle kleinkinderen 15 euro voor “op de spaarboek”. Iedereen gelijk voor “geschenkenwet”. Bekijk een gelijkaardig tafereel bij een verdeling van de erfenis. Niemand voelt zich billijk behandeld als iedereen gelijk is volgens objectieve maatstaven zoals leeftijd of generatie. De eerste generatie krijgt het huis om te verdelen, de kleinkinderen het bestek en de meubelen, ik verzin maar wat. Niemand is gelukkig. Niemand vindt het juist…Heel anders is het als de grootouder naar eigen inzicht en vermogen kiest om de één dit te geven met kerstmis en de andere iets anders. De ene krijgt dit jaar een leuk tafelkleedje en de andere krijgt een CD van zijn favoriete artiest. Is het dan belangrijk dat de prijs van het tafelkleedje exact overeenkomt met de prijs van de cd? Een jongetje uit mijn straat kreeg ooit een autootje met 20 frank (een halve euro dus) erbij omdat zijn zus een duurdere pop had gekregen.
In bedrijven doen we net hetzelfde. We maken loonschalen en proberen iedereen over dezelfde kam te scheren. We creëerden categorieën van bedrijfswagens gebaseerd op de catalogusprijs van de wagens. En het is bij deze laatste dat we merken dat mensen niet van objectieve criteria houden. Want o wee als de ene medewerker het geluk had om de optie lederen zetels te nemen bij zijn bedrijfswagen omdat die wagen net in promotie stond. De andere medewerker, die dezelfde job doet, moet het stellen met een fluwelen bekleding. We beslissen dan maar om ook de opties van de keuzes aan banden te leggen.
Mijn ontmoeting met De Modelmaker doet mij dus stilstaan bij het belang van subjectiviteit. Gerald is subjectief als hij zijn modellen maakt. Nochtans moet hij van zijn opdrachtgevers pogen om een “waarheidsgetrouw” beeld te maken van wat de werkelijkheid is of moet worden. Hij zal pas slagen in zijn opzet als hij, vanuit zijn artistiek aanvoelen, er die zaken aan verandert of toevoegt die niet alleen de juiste afmetingen van het gebouw, dat hij moet modelleren, weergeven, maar ook het gevoel oproepen dat moet ontstaan als je in dat huis gaat wonen. Dan pas is de Modelmaker geslaagd.
Groeimodel zoals beschreven in “De kikker en de oceaan – over het belang van emotie in een wereld van kennis”
Jens Pas – Academia Press 2009
